Vegetabiele werelden

Vegetabiele werelden

Nadat zij zich intensief met het landschap had beziggehouden ging Marjan Jaspers’ aandacht steeds sterker uit naar het eigenlijke rijk van de natuur, naar bloemen en planten.

Het is een oud metier met een eigen traditie, dat door illustratoren van plantenboeken en door bloemenschilders werd beoefend, een nieuwe betekenis kreeg in de florale Jugendstil en evenzeer in de stillevens van de expressionisten wordt aangetroffen als in de vervreemdende schilderijen van menig surrealist. Hier komen de natuur en de vrouw zeer dicht bij elkaar: vruchtbaarheid, seksualiteit, baren; verbondenheid van alle levensvormen met elkaar; verandering, metamorfose; het terugvinden van het een in het ander. Dit alles is in veel werk van Marjan Jaspers te vinden en duidt op een surreële achtergrond. In de moderne kunstgeschiedenis speelt soms bij beschouwingen over het afbeelden van bloemen en planten en ook van de natuur in het algemeen, een filosofische verklaring van de wereld een rol in de interpretatie, zoals bijvoorbeeld de antroposofie van Steiner – Marjan Jaspers heeft geen behoefte aan een verheven symbolistisch-religieuse uitleg. Haar contact met het métier is direct en waarachtig – ja, wordt eerder bepaald door nabijheid dan door distantie en overlading met ideeën. Het concept landschap, dat in haar werk de totaliteit van akker en weg, van berg en huis omvat, lijkt zij bewust in zijn tegendeel te doen verkeren: zij kijkt als het ware door .een loep. De blik vanuit het vogelperspectief wordt nu de blik van een mier, die niet van buiten naar de bloem kijkt, maar erin woont, het is haar huis, een architectuur van welvingen en holle ruimten, die organisch is opgebouwd uit het omhulsel van de bloembladen en de concentrische vormen van vruchtbeginsel en zaaddoos.

De organische architectuur van de planten verbindt in Marjan Jaspers’ interpretatie-in-beeld een overvloed aan contrasten met elkaar: het gevormde en het amorfe, het grote en het kleine, het harde en het zachte, het centrale en het perifere. Deze visuele principes worden bewust tegenover elkaar gezet en in hun ambivalente effecten esthetisch tegen elkaar afgewogen. In contrast met het hart van een bloem, dat klein is maar een strakke vorm heeft, vallen de grote bloembladen, vormloos woekerend, gelobd en gespleten uiteen, of verheffen zij zich als barok woekerende torens of bizarre koepels. In deze afwisseling openbaart zich erotiek als drijfveer van al het organische leven en als waarborg voor het voortbestaan van het leven zelf. Naast de verschillen in consistentie geven alle schilderijen dynamiek en rust in de plantenwereld te zien als antithetische paren: bloembodem, knop en zaad als stilte krachten tegenover zaadlijsten en bloembladen als opwaarts strevende, respectievelijk straalvormig naar opzij zich uitstrekkende of naar boven zich openende dynamische stromen. In al deze onderdelen van planten herhalen zich de compositorische en algemene principes van geslotenheid en opengaan, van concentratie en diffusie, van rust en beweging. Zulke interpretaties van de vegetabiele structuren zijn beslist geen zomaar even gevonden oplossingen, maar ze ontstaan uit een intensieve en langdurige verdieping in het wezen van planten en bloemen. Soms is het fototoestel, met de mogelijkheid om macro-opnamen te maken, een hulpmidde bij het vinden van motieven, want het legt het geziene in zijn authenticiteit en op het moment zelf vast, terwijl het schilderen van hetzelfde beeld, met het vinden van de compositie en de uitvoering een proces in de tijd betekent, waarbij het object dat moet worden weergegeven al van expressie en vorm is veranderd doordat het veroudert en verwelkt. Soms is een foto zelf al , door de opnametechniek en de keuze van het detail, een omzetting van de natuur in esthetische coördinaten en verraadt hij hetzelfde handschrift en dezelfde stilistische criteria als het geschilderde beeld.

Dr. Karla Bilang, Berlijn 2002

(vertaling: Gerda Mathot)