Voorwoord

Voor Marjan Jaspers is het beeld een antwoord op de natuur – op de natuur van de mens evenzeer als op de natuur in de gangbare zin.

Toch is de mens als afbeelding in haar werk niet vaak te vinden, wel echter de voorwerpen die hem omringen, als getuigenissen van zijn levensfilosofie en van zijn zoeken naar geborgenheid. Zo is vaak een stilleven of een afzonderlijke vaas – zowel in zijn monumentaliteit als in zijn intimiteit – een uitspraak over het ding zelf en tegelijkertijd over de zin, de betekenis die het levenloze voorwerp in het leven van alledag kan hebben. Een meer direct genre van interpretatie van de natuur is het geschilderde landschap, dat als een stuk van de natuur uit de verte gezien, of als een ideaal landschap vanuit de fantasie vorm krijgt. Het innigst verdiept de kunstenares zich in de geheimen van de natuur in haar bloemen- en planten – schilderijen, die ook weer zowel voor het vegetatieve, dus voor zichzelf staan, als op een ander vlak kunnen worden opgevat als parabels voor algemene levensprocessen en ook voor de geheimen van het menselijk leven zelf. Deze ambivalentie, die de ene keer het onderwerp nauwkeurig bestudeert en het daarbij ook uit zijn natuurlijke samenhang kan losmaken en in een esthetische fantasie plaatsen, en die een andere keer of vanuit een andere gezichtshoek hetzelfde voorwerp als een reflectie of een bestanddeel van de wereld van de mens interpreteert, is karakteristiek voor vee werk van de kunstenares. Uit dit tweevoudige karakter van de in beeld gebrachte werelden ontstaat de innerlijke spanning van haar werk. Die spanning is optisch waarneembaar als een heen en weer trekken tussen de beide polen natuur en cultuur, een trektocht met oneindig veel halteplaatsen in het esthetische spectrum, die steeds worden bepaald door de stemming van het moment en door haar persoonlijke intenties. Zo is ondanks veel overeenkomsten en gelijkheid van motieven geen plant, geen voorwerp en geen landschap gelijk aan een ander. Marjan Jaspers schildert weliswaar in series, maar niet serieel – elk schilderij afzonderlijk heeft een onverwisselbare individualiteit, een speciale, geheel eigen uitstraling en intimiteit.

Vaak wordt in de moderne kunstgeschiedenis gevraagd naar de vrouwelijke elementen in de werken van vrouwelijke kunstenaars – misschien passen hierin de genoemde criteria, de persoonlijke aura van de schilderijen, het authentieke getuigenis over zichzelf. Deze uitwerking is in belangrijke mate mede te danken aan de verfbehandeling en het kleurgebruik, die schijnbaar geen distantie kennen. Het oppervlak van een veld of een kruik wordt als het ware als een huid ervaren, met oneffenheden, verschil in hoedanigheid en zinnelijke aanwezigheid.

De intensiteit van veel van de geschilderde landschappen en objecten wordt bereikt door de strenge vereenvoudiging van het sujet en door bewuste beperking tot het hoognodige. Een kruik, een berg, een zei worden gearchaïseerd, door een krasserige zwarte contour samengevat tot een teken van het oorspronkelijke object, tot een allereerst beeld van het voorwerp – tot een oerbeeld, vergelijkbaar met een teken uit een oud beeldschrift of de spontaniteit van een kindertekening. Dat wil zeggen dat er wel streng, maar niet mechanisch gearchaïseerd wordt, de dik opgebrachte verf laat het individuele niet verdwijnen, ondanks de generalisatie van de vorm. Kleur en vorm worden hier differentiërend, eigenlijk antithetisch gebruikt: de vorm definieert het object, de kleur werkt daar tegenin en lijkt de geslotenheid weer te willen openbreken. Zulke archaïseringen bepalen echter zeker niet al het werk van de kunstenares, het zijn meer fasen waarin zij gas terugneemt, misschien ook zekerheid zoekt, vlucht in de stabiliteit van het object. Tegenover deze ernst staat een haast vrolijke manier van werken uit de losse hand, die zich uit in landschappen, maar nog meer in de vele bloemenschilderingen, voornamelijk in de drukken en de gemengde technieken. Hier hebben kleuren bewegingsvrijheid, zonder knellende contouren en komt er vee spontaniteit vrij. Deze onderscheiden werelden van uitdrukkingsmogelijkheden ziet de kunstenares als aspecten van een veelzijdig, communicerend denken en voelen, dat wars is van het ernstig nagestreefde Ene, van het artistiek merkteken. De teneur in Marjan Jaspers’ wezen als mens en als kunstenaar berust op mededeling en communicatie en op een lichtvoetige ironie tegenover esthetische dogma’s en vastgeroeste denk- en gedragspatronen. In haar installatie “HERTENHOEK”, tentoongesteld tijdens de Kunstlijn Haarlem in 1992, zijn verschillende konterfeitsels van dit ‘edele dier’ te zien, te beginnen met een geschilderd portret ten voeten uit, vervolgens het hertengewei, het hertenmasker en de hertenschedel, en dit schema wordt gebroken door de afbeelding van een grote archaïsche vaas. Om de gedachte te bepalen draagt de installatie de ondertitel ” Men kan niet altijd aan herten denken”. Het hert symboliseert en ironiseert – door de demontage van het symbool – het volgens de maatschappelijke norm mannelijke principe (het plaats-hert-syndroom) van kracht, trots en adeldom. De eraan toegevoegde vaas vertegenwoordigt een ander denken en voelen en is volgens de dieptepsychologie een archetypisch beeld van het vrouwelijke. Subject en object, bekijken en bekeken worden, persoonlijkheid en anonimiteit zijn verenigd in de constellatie van de vaas en het daarop neerkijkende dier. Ironie en spotternij zijn van oudsher de mogelijkheden om bestaande machtsverhoudingen niet echt te saboteren, maar wel zich van een zekere druk te bevrijden.